|
|
BREIENBreien is een leuke en ontspannende bezigheid. Het eindresultaat is altijd een exclusief kledingstuk. Nodig zijn een paar breinaalden die overeenstemmnen met de dikte van de wol. Hoe hoger het nummer, hoe dikker de naalden zijn. Voor heen en weer breien worden naalden met knop gebruikt. Om in de rondte te breien naalden zonder knop gebruiken. Een kabelnaald is een korte naald met een golfje in het midden, deze wordt gebruikt voor het kabelen van steken. Een stekenhouder is een groot soort veiligheidsspeld om steken die moeten rusten op te nemen. Een haaknaald is makkelijk voor het ophalen van een gevallen steek. Een maasnaald heeft een groot oog en een stompe punt, deze is nodig om het breiwerk in elkaar te zetten en de draden af te hechten. De maasnaald wordt ook voor maaswerk gebruikt, dit is patroontjes in dezelfde steek op het breiwerk (meestal tricot) borduren. Belangrijk: was wol altijd in een speciaal wolwasmiddel waar geen enzymen en/of alkali (zoals soda) inzit in de wasmachine op het wolwasprogramma 30 graden. Onderaan staat een patroon voor een trui.Vul het contactformulier in voor andere steken, patronen of vragen. |
Wolvezels |
Katoenvezels |
Vlasvezels - linnen |
Synthetische vezels - polyester |
| Berekenen
Dit patroon is maat 40. Kijk op de wikkel van de wol welke naalden nodig zijn en brei een proeflapje in de steek waarin de trui gebreid gaat worden van ongeveer 7 cm. breedte en hoogte. Afkanten: 2 st. breien zoals de steken zich voordoen, de eerste steek over de tweede steek heenhalen, 1 st. breien en de vorige steek overhalen. Het lapje vlak neerleggen (niet uitrekken) en meten hoeveel steken en naalden er op 5 cm zijn. Deze uitkomsten maal twee doen en dat is dan het aantal steken en naalden per 10 cm. Het aantal steken en naalden per 10 cm. in dit voorbeeld = 22 st. breed en 30 nld. hoog. Rugpand Voor deze maat opzetten 5,05 x 22 st. = 111 st. + 2 kantsteken = 113 st. Om aan beide kanten hetzelfde uit te komen een oneven aantal steken opzetten. Een kantsteek is altijd de eerste en laatste steek op de goede kant recht en op de achterkant eerste en laatste steek averecht breien. Let hier goed op want een goede kantsteek geeft gemak bij het in elkaar zetten van de trui. 4 cm. in boordsteek 1 r., 1 a. breien (de breinaalden een half nummer lager nemen). Tot armsgat (totale lengte 34 cm.) in patroonsteek breien. Voor de armsgaten aan beide kanten 1 x 3 st. en elke 2e nld. 3 x 2 st., 2 x 1 st. afkanten. Over 91 st. = 40 cm. Breien tot 56 cm. totale lengte. Voor de schouders aan beide kanten in 3 maal elke 2e naald (aan armsgatkant beginnen) 1 x 9 st. en 2 x 10 st. = 29 st. op een hulpnaald zetten. Voor een mooie overgang tussen de naalden 1 st. minder op de hulpnaald zetten (11 st.)en in de volgende naald deze steek afhalen. Tegelijk met de schouders de hals vormen. De middelste 17 st. op een hulpnaald zetten, aan beide kanten elke 2e nld. 6 st. en in de laatste naald 2 st. op de hulpnaald zetten. Als de voorkeur naar een aansluitende hals uitgaat dan de steken van de hals (33 st.)na de laatste mindering van de schouders in 1 keer op een hulpnaald zetten. Voorpand Als het rugpand breien tot 52 cm. totale lengte. Voor de hals de middelste 7 st. op een hulpnaald zetten, aan beide kanten elke 2e nld. 2 x 3 st., 1 x 2 st., 5 x 1 st. op de hulpnaald zetten. Vergeet niet bij 56 cm. totale lengte de schouders (zie rugpand) op een hulpnaald te zetten. Mouw Zet 41 st. op en brei 4 cm. boordsteek. Tot de mouwkop in patroonsteek breien. Hierbij aan beide kanten 24 x elke 6e nld. 1 st. meerderen. Meerderen: 1 kantsteek, 1 st. opzetten, naald uitbreien op 1 st. na, 1 st. opzetten, 1 kantsteek. Zorg er voor dat de nieuw opgezette steken in patroonsteek gebreid worden. Brei zonder meerderingen tot 42 cm. totale lengte. Nu zijn er 79 st. = 35 cm. Voor de mouwkop 1 x 3 st. en elke 2e nld. 3 x 2 st., 19 x 1 st. afkanten. Dan nog voor een goede ronding elke 2e nld. 1 x 3 st. en 1 x 4 st. afkanten. De overgebleven 9 st. in een keer afkanten. De andere mouw ook zo breien. Zorg bij aanhechtingen van de wol altijd dat ze aan het begin van een naald vallen. Afwerking De voor- en achterkant met de goede kant tegen elkaar leggen en de schouders samen afkanten, aan armsgatkant beginnen (de naalden met de steken van de schouder tegen elkaar houden en de andere naald door de steek van voor- en achterpand steken en breien, de volgende steek ook zo breien en de vorige steek over de net gebreide heen halen). De laatste lus op de naald van de hals zetten. Het boordje van de hals wordt op 4 nld. zonder knop gebreid. De steken over 3 nld. verdelen, als er veel ruimte tussen 2 st. is dan een steek van de hals opnemen. Zorg dat er een even aantal steken is. Brei 2 á 3 cm. 1 r., 1 av. en kant de steken af of brei door tot 4 á 6 cm., afkanten en het boordje naar binnen omslaan en soepel in de rondte op de eerste rij steken vastzetten. Zij- en mouwnaden dicht maken met de onzichtbare naad. Leg de panden met de goede kant naar boven naast elkaar, steek naast de kantsteek een draad naar de goede kant en steek terug op het andere pand en neem twee draden op, terugsteken naar het andere pand in dezelfde steek waar de draad naar boven kwam. Na een paar steken de draad een beetje aantrekken zodat de steken mooi doorlopen. De mouwen worden met de stiksteek in de armsgaten gezet (de tussendraden na de kansteek opnemen). Het midden van de mouw op de schoudernaad laten vallen en zorgen dat bij allebei de mouwen de steken op gelijke hoogte van de panden vallen. Tot slot nog de draden afhechten, doe dit zeer zorgvuldig zodat het aan de goede kant niet te zien is. Gebruik hiervoor de kantsteek aan de binnenkant van de trui. |